Afgelopen zomer, op een vroege zondagochtend, viel mijn moeder dood neer. Of: ze viel neer en overleed vervólgens. Of: ze overleed doordát ze viel. Dat zullen we nooit weten. In ieder geval was ze dood toen haar man thuiskwam met de hond. Hij belde mij terwijl hij naast haar stille lijf zat. Daarna ging alles snel en langzaam tegelijk.

Nadat de crematie had plaatsgevonden en alle noodzakelijkheden waren afgerond, hing haar jas gewoon nog aan de kapstok, alsof ze ieder moment binnen kon lopen om vanuit de gang te roepen; joehoee daar ben ik weer! Maar dat gebeurde niet.

Ik begreep er niks van. Niet van het feit dat ze weg was en nog minder van wat er met haar was gebeurd in de jaren voor die val. En dus begon ik te schrijven, want dat doe ik het liefst als ik iets niet begrijp.

Twee maanden later was het bestand waarin ik als een idioot had zitten werken van hetzelfde formaat als mijn eerste roman. Ik was bang mijn laptop af te sluiten omdat ik me heus wel realiseerde dat ik werk had gemaakt van de dood maar dat de dood nog steeds in de kamer stond nu het werk was gedaan. Klaar. Dat ik hard kon werken was geen nieuws voor me. Maar hoe moest ik stilstaan?

Omdat ik niet wist wat ik met het bestand aan moest, stuurde ik het naar mijn broer, stiefzus en Sebes en Bisseling. Willem Bisseling mailde na twee weken terug en vroeg of ik koffie lust. Dat doe ik. We dronken het in een cafeetje in de stad. Weer later stelde hij mij voor aan Elco, uitgever van Hollands Diep. Daar dronken we thee en praatten over dat bestand dat ik had gestuurd en over mijn moeder, die nog steeds dood was.

Gisteren besloten we gezamenlijk dat het bestand een boek wordt dat Rauw zal heten en waarschijnlijk in het najaar verschijnt. We dronken daar champagne bij en lachten op ons allerblijst naar Jacques met wie ik de komende maanden aan het boek zal werken.

Toen ik op de metro stond te wachten om terug naar huis te gaan, vergat ik de blijdschap mee te nemen. Het was een mooie dag. De lucht was blauw en kraakhelder. In de anderhalf uur die de trein erover deed om van Amsterdam naar Nijmegen te rijden, werkte ik mijn mail weg, en keek twee huiswerkopdrachten na. Toen ik aankwam was het nog licht. Mijn fiets was niet gestolen. Thuis zou mijn lief op me wachten met wijn en kaas. Toch moest ik huilen omdat ik iemand wilde bellen om te vertellen dat er een nieuw boek kwam, en wist dat ze niet zou opnemen. Nooit meer.