De Leeuwentemmer.

Hij zat in het café en dronk. De barman kende zijn naam en zijn favoriete wijn en schonk ongevraagd bij als hij naar hem keek.
Alles aan hem was lang. Zijn nagels, zijn gedachten, zijn haren, alles. En hij had er lang over gedaan om te weten wat hij wilde. Dat wist hij nu. Daar dronk hij op.
Op maandag belde hij naar de universiteit om te zeggen dat ze hem konden uitschrijven. Hij zou nooit afstuderen. Hij zou nooit de veelbelovende wetenschapper worden die menigeen in hem had zien doorschijnen.
Hij werd acteur.
Op dinsdagochtend begon hij meteen met acteren voor de spiegel in de slaapkamer. De spiegel was groot maar toch paste zijn lange lijf er nooit helemaal in. Hij acteerde dus voor de helft. Maar als de helft al zo goed was, was het geheel fantastisch en dus hoefde hij alleen maar te wachten totdat hij zou worden erkend.
Hij wachtte en acteerde.
Als hij op woensdag bij de bakker een brood bestelde, deed hij dat met een Frans accent. Om zijn act kracht bij te zetten droeg hij een alpinopetje scheef op zijn kruin en plakte een dunne snor op zijn lange gezicht.
Als hij op vrijdag in de kroeg zat, acteerde hij dat hij doodongelukkig was. Hij staarde diep in zijn glas en haalde slechts zijn schouders op als iemand hem iets vroeg.
Als op zondag zijn ouders op bezoek kwamen acteerde hij dat zij een gelukkig gezin waren waarin hij liefdevol was opgegroeid. Hij omhelsde zijn moeder innig op de deurmat en negeerde haar gemekker over de rotzooi in zijn huis warm. Hij wist tenslotte alleen zelf dat de rotzooi bij zijn act hoorde. Geen kunstenaar leeft in een opgeruimd huis.
Hij acteerde dat hij geld had en hij acteerde dat hij wist hoe hij ermee om moest gaan en hij werd door al dat oefenen een verdomd goed acteur.

Toen hij op een dag de liefde tegenkwam vergat hij te stoppen met acteren en vertelde dat hij leeuwentemmer was. De liefde was groots onder de indruk, klein als ze was. En met het allerveiligste gevoel dat ze ooit van haar hele leven had gehad, nestelde ze haar broze lijf in zijn lange armen. Hij droeg haar naar haar bed, snelde naar huis om zijn tijgerprint pyjama te halen en kroop naast de slapende liefde. De volgende morgen stond hij op, nog voor de wekker ging, om naar het circus te gaan. Toen hij nog even omkeek naar haar kleine huisje waaruit hij stilletjes was weggeslopen zag hij de liefde achter het roze gordijntje staan. Ze zwaaide en zelfs van een afstand kon hij zien hoe trots ze was.
Hij was dat ook.
Zelfs de leeuwen hadden geen idee dat ze getemd werden door een acteur. Ze brulden vervaarlijk als hij zijn hand omhoog hield en sprongen braafjes om de beurt door een hoepel. Hij kreeg ze zelfs zo ver dat ze aan zijn voeten gingen liggen en zijn schoenen schoon likten.
Soms kwam de liefde kijken naar haar man met zijn leeuwen en dan zat ze op de voorste rij. Eerst alleen, iets later met een baby dicht tegen haar lijf gedrukt, die, nu ik erover nadenk, eerlijk gezegd meer op een tijgertje leek, maar dat doet er niet toe. Als ze daar zo zat voelde ze hoe haar hart open stond voor haar leeuwentemmer die per slot van rekening de hele wereld aan kon en ze grijnsde dan ook breeduit naar hem.
De liefde leek een beetje met haar baby te groeien. De baby, die eerst nog maar tot aan zijn enkels kwam, kon nu zijn handjes op zijn bovenbenen leggen. De liefde legde tegenwoordig haar hoofd met het grootste gemak op zijn schouders. Nu ze in zijn oor kon fluisteren, deed ze dat ook graag. Ze fluisterde er van alles in over de kleur rood, over warme croissants met roomboter, over water en over hoe eigenlijk niets ergens op sloeg en toch zo waar was als een koe. Dat soort dingen. Hij geloofde dat zij zichzelf geloofde, zoals hij zichzelf na al die jaren van acteren geloofde.

Op een dag gebeurde het dan. Hij werd erkend. Zomaar, uit het niets. Alles waar hij al die jaren voor had geoefend lag ineens aan zijn voeten. Maar de leeuwentemmer was met stomheid geslagen. Hoe konden ze hem nou aanzien voor een acteur? Hij was toch leeuwentemmer? Hij ging naar huis en vroeg het de liefde. Maar de liefde knipoogde en aaide over zijn bol. Hij hoefde haar niet te temmen en als hij ook geen leeuwen meer wilde temmen, dan was haar dat om het even.
De leeuwentemmer werd woedend. De liefde geloofde niet in hem! Hoe kon ze dat nou doen? Hij bedacht zich geen moment, pakte zijn koffer en vertrok.
Al naar een paar minuten lopen voelde hij zijn benen moe worden. Zijn ene voet wilde niet meer voor de andere. Zijn lange armen hingen slap langs zijn lichaam, zijn kin zakte als vanzelf op zijn borst. Zo stond hij op straat, als een uitgedoofde lantaarnpaal, de koffer aan zijn voeten.
De oude barman kwam langs fietsen. Hij herkende de ongelukkige man onmiddellijk, hees hem achterop zijn bagagedrager en nam hem mee naar het café.