Dag.

Dag.

De geur van vochtige bladeren was mijn neus al binnen gekringeld bij het lezen van de uitnodiging twee weken geleden. Nu ik het scheve hek achter mij dicht liet vallen nodigde de geur mij opnieuw uit. Het huis stond statig en donker naast de grote dennen, waarin wij vroeger geklommen hadden. Binnen brandde slechts de haard zag ik, wat betekende dat mijn broer zijn klaagzang over het leven aan het voorbereiden was, starend in het haardvuur. De tuin was haar eigen leven gaan leven. De grote vijver aan de voorkant had bezoek gekregen van de wilg. Zijn leven lang had hij zijn best gedaan haar te bereiken. Nu hingen zijn takken voorovergebogen als maakte hij een buiging, en reikten het laagstaande water. Ik glimlachte naar hem als teken van trots dat het hem eindelijk was gelukt. Wij zouden het jaar uitzwaaien vanavond, en daar was ik klaar voor. Nadat ik al uren binnen was en mij weer had gevoegd naar de sferen van het huis was ik langzaam gekrompen. Terug naar het kleine meisje dat ik hier was geweest. Mijn jongste broer trok opnieuw plagend aan mijn staarten en mijn oudste zus stond voor het fornuis. De geur van soep, en als ik lang naar de deur staarde zag ik daar mijn moeder door naar binnen komen. Mijn mondhoeken krulden. Champagne knalde voor twaalven. Ik dronk mijn glas leeg als ware het een kop thee. Met beide handen omklemd. Dankbaar dat ik de enige was die rookte waardoor ik naar buiten moest om shag te draaien. Het oude jaar glipte de deur uit voor ik hem dicht kon trekken. Het was nog geen tijd, maar zij zweefde weg over de akkers. Ik keek haar na, terwijl ik de rook inhaleerde en mijn glas weer naar mijn mond bracht.

Dag.